”Het beeld voor de Westerscheldetunnel onderzoekt de ontmoeting tussen landschap, technologie en menselijke verbeeldingskracht. De sculptuur ontleent haar vormentaal aan het boorproces waarmee de tunnel tot stand kwam. Het ophangsysteem verwijst naar de tunnelboor als instrument van transformatie: een mechanische kracht die zich een weg baant door eeuwenoude aardlagen en verborgen geschiedenissen.
De reeks halve bollen fungeert als een archeologische en geologische metafoor. Zij verbeelden mogelijke bodemvondsten die tijdens het boren zichtbaar hadden kunnen worden en maken de ondergrond leesbaar als een gelaagd archief van tijd. De ene zijde is uitgevoerd in gebakken rode Zeeuwse klei, een materiaal dat direct is verbonden met de identiteit van het Zeeuwse landschap en zijn eeuwenlange relatie met aarde, water en ambacht. De tegenoverliggende zijde is afgewerkt met een spiegelend oppervlak van galzuur met een platina luster, waardoor een intrigerend contrast ontstaat tussen het aardse en het immateriële, tussen het tastbare verleden en een reflectie op de toekomst.
In de organische samenhang van de sculptuur ontstaat tevens een associatie met de structuur van het menselijke brein. Deze verwijzing overstijgt de louter technische betekenis van de tunnel en plaatst het werk in een bredere context van menselijke inventiviteit. Zoals het brein een netwerk vormt van verbindingen, herinneringen en kennis, zo verbindt de tunnel twee oevers en creëert zij nieuwe relaties tussen mensen, plaatsen en landschappen.
Het kunstwerk beweegt zich daarmee op het snijvlak van archeologie, geologie en techniek. Het maakt zichtbaar wat normaal gesproken verborgen blijft: de ondergrond als drager van geschiedenis en de ingenieurskunst als hedendaagse vorm van menselijke cultuur. Het beeld nodigt de beschouwer uit om niet alleen de fysieke constructie van de Westerscheldetunnel te zien, maar ook de culturele en symbolische betekenis van een ingreep die de aarde doorsnijdt en tegelijkertijd nieuwe verbindingen mogelijk maakt.”